“Château des Thons” bij New York

"Château des Thons" bij New York

"Château des Thons" bij New York

In 1926 kwam de New Yorkse multimiljonair Ashbel H. Barney in Les Petit Thon (20 km ten zuidwesten van Darney) en werd verliefd op het “Chateau des Thons”. Tot groot vermaak van de plaatselijke bevolking besloot hij de complete rechtervleugel van het kasteel te kopen en te verschepen naar de Verenigde Staten om het vervolgens weer opnieuw op te bouwen in Long Island niet ver van New York City. Het staat tegenwoordig te koop, dus als je 10 miljoen euro hebt…

Mr. Barney gebruikte zijn grote politieke invloed om de Franse autoriteiten over te halen hem toestemming te geven het kasteel te kopen. Daarna ontmantelde hij de rechtervleugel steen voor steen, detail voor detail, gedurende twee jaar, met behulp van 145 Franse vaklui. Waarna het per privé stoomschip in 1928 naar de andere kant van de oceaan werd gevaren, inclusief de originele “Versailles” bevloering en de museum kwaliteit Louis XIII en Louis XIV gegraveerde panelen. Al dat werd nauwgezet weer opgebouwd in het elite gebied van Long Island de legendarische “Gold Coast”, waar het kasteel nu staat in al zijn “originele” pracht.

Volgens veel Amerikaanse kranten en tijdschriften zou Voltaire in het “Chateau des Thons” samen met zijn geliefde 16 jaar gewoond hebben, maar dat is een hardnekkig fabeltje dat in de VS begon.

Linda Brown heeft een uitgebreide website over het château bij New York met uitgebreide artikelen over de geschiedenis en met vele foto’s >> The Most Beautiful Castle In France Is Not In France – Château des Thons

Hieronder een aantal foto’s van het gedeelte dat overbleef in Frankrijk en tegenwoordig nog steeds te bewonderen is in Le Petit Thon.

Klik op de foto om te vergroten.

"Château des Thons" in Le Petit Thon

"Château des Thons" in Le Petit Thon

"Château des Thons" in Le Petit Thon 2

"Château des Thons" in Le Petit Thon

"Château des Thons" in Le Petit Thon 3

"Château des Thons" in Le Petit Thon

"Le pigeonnier des Thons" De duiventil van het château

"Le pigeonnier des Thons" De duiventil voor het château

De duiventil van binnen

De duiventil van binnen

Een moderne Magdalena in Thuillières

Eve LavallièreDe beroemde Franse actrice van eind negentiende eeuw begin twintigste eeuw Eve Lavallière (1866-1929) werd geboren als Eugénie Fenoglio in Toulon, groeide op in Perpignan en stierf in Thuillières bij Darney als bekeerd christen, teruggetrokken uit het luxe leven van Parijs.

Haar leven werd getekend door een zeer traumatische gebeurtenis in haar jeugd. In 1884 toen ze 18 was vermoorde haar vader haar moeder in haar bijzijn, en schoot daarna zichzelf dood. Korte tijd later werd ze toneelspeelster en veranderde haar voornaam in Eve (Eva), de naam van de eerste zondares en haar achternaam in de naam van de minnaar van Lodewijk de Veertiende: Louise de la Vallière die haar vroegere leven achterliet en veertig jaar lang tot haar dood streng religieus leefde.

Eve werd een van de bekendste actrices van de “fin de siècle, belle époque Paris” vanwege haar uiterlijk en haar talent, in het bijzonder voor haar travestie rollen. Ze was wat we tegenwoordig een hollywoodster noemen.
Artistiek succes ging gepaard met een turbulent en ongelukkig persoonlijk leven, gekenmerkt door minstens één buitenechtelijk kind, aanhoudende depressie en verschillende zelfmoordpogingen.

Nadat ze getekend had voor een tournee door de Verenigde Staten in 1917 bracht ze voorafgaand aan de tournee een zomer door bij Tours. Daar vroeg ze de plaatselijke pastoor of ze wat kersen kon plukken in zijn boomgaard en maakte een terloops grapje over verleiding en hel, waarop de pastoor zei: “Madame, als u ook maar enig idee had wat de hel is, zou u er niet zo luchtig over spreken.” Hierop barst Eve Lavallière in tranen uit en ging de zondag daarop voor het eerst in jaren na de biecht ter communie. Ze beëindigde niet alleen haar tournee door de U.S.A. maar ook haar hele theater carrière, verliet Parijs voorgoed en vestigde zich in het dorpje Chanceaux-sur-Choisille bij Tours vergezeld door haar voormalige kleedster, alleen bekend als Léona, die zich samen met Eve tot het Katholicisme had bekeerd.
Dit alles veroorzaakte nogal wat opschudding in het Europa van die tijd – zelfs zonder televisie en internet.

Tussen 1917 en 1920 probeerde Eve zich tevergeefs aan te sluiten bij verschillende religieuze orden. Ze ging van klooster naar klooster totdat ze in wanhoop samen met Léona besloot om te verhuizen naar het piepklein dorpje Thuillières dichtbij Darney. Niet ver daar vandaan ligt het dorp Ville-sur-Illon waar toevallig (of zoals ze zonder twijfel geloofd zal hebben bij heilige voorbestemming) Charles Henrion zich teruggetrokken had om te mediteren op zijn roeping als priester. Het was Henrion die om hulp gevraagd werd door de locale priester van Thuillières voor de nieuwe veeleisende parochiaan. Een beetje in weerwil vergezelde de toekomstige “Père Charles” Eve naar het dichtbij zijnde Maria altaar “Notre-Dame de Bois” waar ze tot zijn verbazing “bezield door de profetische gave, haar hele leven aan haar zou wijden”. Kort daarna trad ze toe als leek tot de derde orde van Sint Fransiscus.

Het huis "Béthanie" in Thuillières
Het huis van Eve Lavallière in Thuillières.

Het huis in Thuillières waar ze samen met Léona woonde werd omgedoopt in “Béthanie” en verfraaid met afbeeldingen van Maria Magdalena; de Heilige Monica, Teresa, en Bernadette.
Daarna gingen de twee vrouwen op hun ronde langs de heilige plaatsen van Frankrijk – Lourdes, La Salette, Paray-le-Monial, en de reusachtige grot la Sainte-Baume bij Marseille waar volgens de legende Maria Magdalena haar laatste levensdagen berouwvol treurde.

Meer dan met welke andere religieuze figuur uit haar tijd identificeerde Eve Lavallière zichzelf met Maria Magdalena. En net als Maria Magdalena huilde ze zoveel dat ze ernstige problemen met haar ogen kreeg, wat ze in de geest van die tijd als een teken van Gods toegenegenheid zag.
Ze onthield zich van parfum, make-up en sieraden en liet haar haar wild groeien. Voor sommigen werd ze de “Crazy Jane” van de Vogezen, maar niemand kon ontkennen dat ze veel liefde gaf. Ze leefde een leven van onthouding, gebed en dienstbaarheid aan de zieken en de armen.

Het graf van Eve Lavallière in ThuillièresNadat ze drie keer de nu tot priester benoemde Charles Henrion op missie reis naar Tunesië vergezelde, stierf ze in juli 1929 in haar huis Béthanie in Thuillières.

Vlak voor haar dood interviewde een Parijse krant haar. Ze vroegen haar: “Lijdt u veel?” (Ze was toen erg ziek.)

Ze antwoorde: “Ja, verschrikkelijk.”

“Heeft u enige hoop op genezing?”

“Geen enkele, maar ik ben zo gelukkig! U kunt zich niet voorstellen hoe groot mijn geluk is.”

“Zelfs met zoveel lijden?”

“Ja, en daarom ben ik in God’s handen. Vertel mijn vrienden uit vervlogen tijden dat u de gelukkigste persoon ter aarde heeft ontmoet.”

Literatuur:
Burton, Richard D.E., Holy tears, holy blood: women, Catholicism, and the culture of suffering in France, 1840-1970, 2004 Cornell University Press, New York.

Hieronder een artikel uit 1921 van “The New York Times”:

The New York Times

ONCE TALK OF PARIS,
ACTRESS IS RECLUSE

Eve Lavalliere, Until 1915 One
of the Gayest at Montmartre,
Is Found in the Vosges.

In a White House With a Green Door
She Lives Apart From the World
Except for Village Poor.

Copyright, 1921, by The New York Times Company.

Special Cable to THE NEW YORK TIMES.

PARIS, Aug. 16 – In a white house with a green door on the outskirts of a village in the Vosges is living almost as retiringly as a hermit, a woman who only a few years ago was one of the best known, gayest and most talked of actresses in Paris.

Eve Lavailliere is her name. As recently as 1915 she was singing, in the slang of the Montmartre, patriotic songs with a kick in them in the variety theatres of the capital. The characters she acted and the songs she sang were all of the very personal kind. She was the embodiment of singing and acting and she was everything that the name Montmartroise conveys to a Frenchman.

Now she is living like a hermit in a white house with a green door at the foot of a quiet valley, in the Vosges and the only time she sings is at Mass every day in the village church.

It was in 1917 that the news suddenly burst on Paris that Eve Lavalliere was going to leave the stage and enter a Carmelite convent. To reporters and even to her friends she refused to give any explanation. Rumor had it that she had discarded all her jewels and clothes, that were the wonder even of the Paris stage, and that she was wearing only coarse sackcloth garments. Soon people forgot her, and quietly and completely she disappeared.

Down in the Vosges, she was found again by a Matin correspondent who, while stopping in the village, asked casually who lived in the white house with the ikon over the door. When he learned the name, he waited at the church door until she came out. The woman, who used to be the best dressed actress in Paris, was wearing a neat black frock and under her umbrella, she walked with a peasant girl who had accompanied her to Mass.

Her blue eyes, the correspondent writes, are more lovely than ever and her hands and feet are fine and small, such as are rarely found in the country.

With a quick step, she passed him and entered her house. But not daunted, he demanded an audience. The peasant girl, who had been to church, opened the door. No, she informed him, Mademoiselle never received. All friends from Paris especially were forbidden entry. “This house,” said the maid, “is not an ordinary house. It is a cloister.” Her health, it seems, prevented the reception of the would-be nun into a religious order and so she has chosen to seclude herself in the country where she spends her time between the church and her walled-in garden, receiving only the poor people of the village who come to her for help.

Only twice in these years has she left her home, once to go on a pilgrimage to Lourdes and once to go to the quiet resort of Vittel. But when she returned from there, her maid said, she was very melancholy. “Does she ever think and talk about the past?” the Matin correspondent asked. “Never,” was the maid’s answer. “When she gets letters from her old friends, she sometimes smiles, for she has no bitterness about the past, but she doesn’t think about it. She thinks only of the present and the future.”

Artikel uit: “The New York Times”, 17 augustus 1921

Weetje: Eve Lavallière was de eerste met het boblijn kapsel. De beroemde kapper Antoine de Paris knipte in 1909 voor het eerst de boblijn bij haar om haar er jonger te laten uitzien voor een rol. Niet iedereen hield van de bob, men was niet gewend aan vrouwen met een kort kapsel, zelfs priesters waarschuwden voor het kapsel. Maar het kapsel heeft 100 jaar overleefd en is nog steeds modieus. Het word door Michelle Obama en vele andere beroemdheden nog steeds gedragen.

Lijn 24, Jussey – Darnieulles

In 1864 had het kanton van Darney en Monthureux-sur-Saône een grote industrie: 12 slijpsteenfabrieken, 8 tafelbestekfabrieken, 17 dakpan en baksteenfabrieken, 4 glasblazerijen, 2 commerciële molens, 3 brouwerijen, 2 zetmeelfabrieken, een papierfabriek, een katoenspinnerij, en vele houtwerkplaatsen.
Het middel van transport voor de vele producten was de kar, met een dagelijks verkeer van 500 ton. Een spoorlijn zou het transport kunnen verdubbelen en bovendien de transportkosten verminderen.

Op 26 december 1864 stemt de gemeenteraad van Monthureux ermee in dat er een krediet verleend wordt van honderdduizend frank voor het bestuderen van de aanleg van een spoorlijn door hun grondgebied met een mogelijke verbinding met Jussey, Mirecourt, Vittel, Darney of Passavant. Zo begon een periode van bezinning, verschillende benaderingen en pre-projecten, die door economisch belang en de loop der geschiedenis zijn bekroning vind 22 jaar later.

Aanvankelijk waren ze zich allemaal bewust van het belang van deze spoorweg. De plaatselijke overheden in de wijde omgeving maakten vele plannen die Darney en Monthureux met Mulhouse en Parijs zouden verbinden. Maar de minister van Oorlog maakt in 1877 een einde aan alle plannen, hij vond een dergelijke spoorweg een strategisch gevaar. De oorlog van 1870 en de annexatie van Elzas-Lotharingen door Duitsland bracht radicale strategische veranderingen met zich mee.
Echter, Epinal een beduidende plaats op loopafstand van de nieuwe grens moest middels een wet uit 1879 strategisch verbonden worden met Jussey. In 1879 wordt begonnen met het bestuderen van het traject. Het graven van een lange tunnel door het massief bij Viomenil moest voorkomen worden. Maar door de hoge kosten van een sterk stijgende route via Viomenil werd dit deel afgewezen. In 1883 werd een 72 km lang tweesporig alternatief traject goedgekeurd.

Gedeelte van lijn 24, Jussey - Darnieulles

In het najaar van 1886 wordt de lijn Jussey – Epinal in gebruik genomen door spoorwegmaatschappij “l’Est”.
Tot 1914 voer vier maal daags een passagierstrein en ten minste één maal daags een goederentrein tussen Jussey en Epinal.

Station Monthureux-sur-Saône

Tijdens de Eerste Wereldoorlog in 1914 voeren nog eens vele konvooien (Transport en Cours d’Opérations) over deze lijn.
In de jaren dertig waren er nog maar 3 passagiersdiensten over.
In 1938 neemt de Nationale spoorwegmaatschappij (SNCF) de maatschappij “l’Est” over.
In juli en augustus 1939, voert de SNCF uitgebreide werkzaamheden uit aan het spoor ter versterking van de grensverdediging.
In juni 1940 was er geen vervoer mogelijk vanwege de Duitse inval, maar de lijn werd niet beschadigd dus werd een beperkte dienstregeling hervat op 6 juli.
De terugtrekkende Wehrmacht laat de lijn in 1944 ongemoeid, ondanks het strategische belang. In datzelfde jaar wordt het passagiersvervoer beëindigd.
In 1951 wordt ook het goederenvervoer tussen Monthureux-sur Saône en Passavant (9,8 km) afgeschaft en wordt dit gedeelte van de lijn in 1954 ontmanteld.
Aan het eind van 1973 wordt ook het traject tussen Monthureux en Darnieulles (39,3 km) gesloten en in 1976 ontmanteld. Alleen het gedeelte tussen Jussey en Passavant (23 km) blijft open voor beperkt goederenvervoer.

Het 127 meter lange spoorviaduct bij Passavant

Tunnel bij regnévelle

Spoorhuisje no.13 bij Regnévelle

De 338 meter lange tunnel en spoorhuisje no.13 bij Regnévelle tegenwoordig.

 

 

Pont Tatal bij Claudon, tegenwoordig

Pont Tatal bij Claudon vroeger

Pont Tatal, 121 meter lange viaduct over de Ourche bij Claudon, vroeger en nu.

Monchablon, Châtillon-sur-Saône

Jean Ferdinand Monchablon werd geboren in Châtillon-sur-Saône op 6 september 1854. Hoewel tegenwoordig een bescheiden dorpje heeft Châtillon een indrukwekkende geschiedenis achter zich, die terugvoert tot de Neolithische periode. De ligging bij de samenvloeiing van de rivieren de Saône en de Apance en de kruising tussen de provincies Champagne, France-Comté en Lorraine heeft in de geschiedenis dit dorpje tot een centrum van conflicten gemaakt, recentelijk tussen Frankrijk en Duitsland. Vandaar dat Jean Ferdinand Monchablon ook bekend was als Jan, de meer Duitse vorm van zijn naam.

Toen Jean nog op de basisschool zat verhuisde zijn familie naar Nantes in Bretagne. Monchablon’s academische vaardigheden waren toereikend aanwezig gezien het feit dat hij in 1875 op 19 jarige leeftijd lesgaf aan het college in Quimper, Bretagne. Daar was het ook dat hij zijn toekomstige vrouw ontmoette, Fanny Elisa Julien, een getalenteerde pianiste. Hoe dan ook, zijn interesse in de schilderkunst bracht hem uiteindelijk naar Parijs en de “Ecole des Beaux-Arts” waar hij allereerst studeerde met Jean Paul Laurens en later met Alexandre Cabanel van 1883-84.
Ondanks zijn training in de studio’s van deze twee toegewijde Academici lag Monchablon’s hoofdzakelijke interesse bij het landschap schilderen. Beginnende in 1881 exposeerde Monchablon jaarlijks succesvol in de “Salon”.

Gedurende deze vroege jaren van zijn carrière, schilderde Monchablon hoofdzakelijk op het platteland rondom Parijs. Maar anders als zijn tijdgenoten koos Monchablon er uiteindelijk voor om zijn geboortestreek te schilderen. Na vele jaren van regelmatige bezoeken aan zijn geboorteplaats op zoek naar landschapsmotieven, verzegelde hij zijn toewijding aan Châtillon in 1886 door een tien-jarig huurcontract te tekenen voor een huis aldaar. Hij verhuisde zijn familie van Parijs naar het platteland.
Net als vele anderen in deze wijnstreek, plantte hij een wijngaard om zijn uitgaven te bekostigen en leek hij zich comfortabel te hebben terug aangepast aan het dorpsleven.

Op schilders expedities door de hele regio wijde Monchablon zich aan het vastleggen van het karakteristieke landschap van de Saône vallei.
Monchablons terugkeer naar Châtillon was een succes. In 1889 kreeg hij de zilveren medaille op de “Exposition Universelle”, en zijn werk werd goed ontvangen door zowel kunst critici als ook het publiek.
Zijn succes als landschapsschilder sloot het accepteren van portret opdrachten zo nu en dan niet uit. Maar Monchablon ging verder met het verfijnen van zijn landschapsbeelden die de kern van zijn werk vormen, nadruk leggend op de stralende luchten boven de Saône en de omringende weelderige velden.
Na zijn dood in 1904 werd hij postuum toegevoegd aan het legioen van eer.
Er zijn van hem 267 werken bekend.

 

 

La Saône dans la prairie de  Jonvelle, 1900

La Saône dans la prairie de Jonvelle, 1900

 

 

Les champs de l'Abencourt, près de Chatillon

Les champs de l’Abencourt, près de Chatillon

 

 

Les amoureux au bord du puits à Grignoncourt

Les amoureux au bord du puits à Grignoncourt

 

 

La Saône à Lironcourt

La Saône à Lironcourt

 

 

Le petit moulin près de Jonvelle

Le petit moulin près de Jonvelle

 

 

Le moulin Courtillet à Lironcourt

Le moulin Courtillet à Lironcourt

 

 

Champs d'avoine à Grignoncourt

Champs d’avoine à Grignoncourt

 

 

Pâturage en Saône

Pâturage en Saône

De Saône, een Zomerreis, 1886

De schilder en schrijver Philip Gilbert Hamerton maakt in 1886 samen met de beroemde kunstenaar Joseph Pennell een boottocht over de Saône en komt daarbij ook in het gebied rondom Darney. Hij begint zijn reis in Corre want vanaf daar is de Saône bevaarbaar met behulp van een ezel die de schuit voorttrekt. Corre ligt zo’n beetje op de grens van het gebied wat ik op deze website behandel, daarom hieronder een aantal citaten uit het boek dat Hamerton over deze reis schreef.
De illustraties hieronder maakte Joseph Pennell tijdens de reis.

kaart Saône

Het eerste gedeelte van de Saône gaat van de bron bij Vioménil in de Vogezen tot de vereniging met de rivier Coney bij Corre. Dit is de jonge Saône, en is niet bevaarbaar, zij het gedeeltelijk met kano’s.
[...]

Er is een dorp genaamd Selles, dat ligt aan de Coney, een paar mijlen boven Corre, waar boten worden gebouwd. Wanneer de rivier is gezwollen van het vele regenwater, worden deze boten naar de Saône gevaren, dit is de enige keer dat de Coney wordt bevaren. Het herinnert me aan het interessante feit wat onze loodsman mij vertelde, dat grote boten soms aan de rand van het bos worden gebouwd, waar het hout goedkoop is maar waar geen rivier is, maar soms is er een overstroming en dan worden de boten mijlenver over de ondergelopen velden gevaren tot ze een zijrivier van de Saône bereiken.
[...]

sluis Corre

De kapitein en ik hebben de jonge Saône boven Corre bezocht. Daar heeft het een karakter van een ondiepe kano-rivier, en niet op een andere manier te bevaren. Het stroomt door een vlakte begrensd met steile lage heuvels en de oevers zijn niet bebost zoals bij de Coney.
Toen ik de jonge Saône aan het schetsen was vanaf de weg, zat de kapitein naast met te roken. We zagen twee gendarmes in vol uniform recht op ons af komen door de velden. Ik zei tegen de kapitein: “Ze zien ons waarschijnlijk als spionnen en komen ons misschien arresteren.” Hij leek te denken dat dit niet onwaarschijnlijk is; hoe dan ook, hoewel de gendarmes naar ons toe kwamen keken ze alleen maar naar mij, zagen dat ik aan het schetsen was, en liepen verder. (Verdere gebeurtenissen bewezen dat we al die tijd in de gaten werden gehouden als gevolg van een nieuwe wet over spionage en een nog recentere en stringent bevel tot handhaving van die wet.)
[...]

Ze worden verderop in het boek gearresteerd voor spionage en de schetsen worden in beslag genomen. Na onderhandelingen van hogerhand worden ze weer vrijgelaten. Hamerton waarschuwt in dit boek reizigers die in Frankrijk willen gaan tekenen om eerst een permissie ervoor te halen.

zigeuners Corre

Mr.Pennel mag zigeuners erg graag, wat een gevoel van broederschap is, want we zijn nu zelf zigeuners. Hij was blij een groep zigeuners met hun karren te treffen, niet ver van de rivier Coney. Hij begon ze te schetsen, waarna ze al snel hem kwamen hinderen, en hij verteld me dat ze een grote hekel hebben aan nagetekend te worden en zullen dat wanneer mogelijk verhinderen. Dit is mogelijk terug te voeren op het oude bijgeloof over de macht om de mens schade toe te brengen wiens afbeelding je bezit.
[...]

hoofdstraat Corre

De lange tijd die we in Corre verbleven staat in geen verhouding tot de grote van de plaats, niet meer dan een dorp met 600 inwoners. Maar het heeft speciale interesse als de kop van de bevaarbare Saône, en Mr. Pennel is verrukt over het pittoreske karakter.
De huizen in Corre zijn bijna allemaal modern, een paar sporen van vijftiende eeuwse architectuur zijn er nog, maar het moderne pittoreske is niet te minachten.
[...]

kerk Corre

Vijftig jaar geleden was Corre waarschijnlijk een van de meest opmerkelijke plaatsen in Frankrijk vanwege de hoeveelheid Romeinse overblijfselen die je er her en der kon vinden, maar deze zijn voor het grootste deel in handen gekomen van verzamelaars. Op enig moment leken de dorpsbewoners van Corre op kinderen die in een museum spelen. Er werden koeien gezien die uit een sarcofaag dronken, de wethouder gebruikte een torso van Apollo als tuinstoel en de wasvrouwen bij de Coney legden hun linnen op een antiek bas-reliëf. Zelfs tegenwoordig heeft de eigenaar van het mooie park waar de nachtegalen zingen, Romeinse beeldhouwwerken als ornamenten. Tijdens onze wandelingen vinden we fragmenten van Romeinse komaf op de vreemdste plekken. Je ziet een steen vlakbij een huismuur; door zijn vorm word je aandacht erdoor aangetrokken, van dichtbij zie je dat het de vorm van een vaas heeft en met krullen is versierd die erin werden gegraveerd toen men nog Latijn sprak in Didattium (Men vermoed dat Corre de plek was van de Romeinse stad Didattium)
[...]

Vertaald uit: Hamerton, Philip Gilbert; The Saône, A Summer Voyage; London 1887

Ormoy

Encore Guillevic

Gisteren ben ik met de fiets nog eens naar “Domaine Guillevic” bij Darney gegaan. Ik had gehoord dat er weer het één en ander bij-gebeeldhouwd was. Bij mijn eerste bericht over deze beeldentuin van Yves Humblot had ik een aantal foto’s geplaatst die wat verouderd waren dus plaats ik hier een aantal nieuwe foto’s.
Voor de achtergronden van deze beeldentuin ofwel landschapskunst kun je mijn vorig bericht hierover lezen: >> Domaine Guillevic, Darney

De oude slijpsteengroeve nog in produktie

Oude slijpsteengroeve, tegenwoordig "Domaine Guillevic"

“Domaine Guillevic” ligt in een oude slijpsteen groeve. Ik vond nog een zeer oude foto van toen de groeve nog in gebruik was.

Als je op de foto’s klikt dan worden ze vergroot.

Guillevic 1

Guillevic 1

Guillevic 2

Guillevic 2

Guillevic 3

Guillevic 3

Guillevic 4

Guillevic 4

Guillevic 5

Guillevic 5

Guillevic 6

Guillevic 6

Guillevic 7

Guillevic 7

Guillevic 8

Guillevic 8

Guillevic 9

Guillevic 9

Guillevic 10

Guillevic 10

Guillevic 11

Guillevic 11

Guillevic 12

Guillevic 12

Guillevic 13

Guillevic 13

Guillevic 14

Guillevic 14

Guillevic 15

Guillevic 15

Guillevic 16

Guillevic 16

Guillevic 17

Guillevic 17

Guillevic 18

Guillevic 18

Guillevic 19

Guillevic 19

Guillevic 20

Guillevic 20

Guillevic 21

Guillevic 21

Guillevic 22

Guillevic 22

Dagnan-Bouveret schilderde Corre

Klik op de afbeeldingen om ze te vergroten.

Pascal Dagnan-Bouveret, was één van de leidinggevende naturalistische Franse kunstschilders van de academische school. Geboren in 1852 in Parijs bracht hij een groot deel van leven door in de Haute Saône.

Zijn vrouw kwam uit Corre. Ze was de dochter van een gerespecteerde fabriekseigenaar. Dagnan-Bouveret leefde met haar in Corre en Ormoy (niet ver van Corre), voornamelijk in de zomermaanden.
Hij schilderde het plattelandsleven van Corre op reusachtige doeken, en gebruikte foto’s als ondersteuning bij het schilderen.

Bénédiction des jeunes époux avant le mariage; coutume de France-Comté 1881

Bénédiction des jeunes époux avant le mariage; coutume de France-Comté 1881

Het schilderij: “Zegening van een jong paar voor het huwelijk; een gebruik in France-Comté”, was geïnspireerd op een tafereel in Corre waar hij getuige van was.
Om dit tafereel uit te beelden huurde Dagnan-Bouveret een lege ruimte wat voordien een kruidenierswinkel in Corre was. Het moest de “grande salle” van de “Moulin de Corre” voorstellen. Hij koos het specifieke moment in het traditionele Franse huwelijksritueel wanneer de familieleden van het bruidspaar hun zegeningen geven voordat ze naar de kerk gaan voor de huwelijks ceremonie. Het model dat geposeerd had voor de bruid was de vrouw van de kunstenaar, Anne-Marie Walter; en de ouders, poserend voor het knielende paar, zijn zijn schoonouders. Omdat Dagan-Bouveret’s huwelijk een paar jaar eerder plaatsvond, in 1879, in Corre, beeld het waarschijnlijk zijn eigen huwelijk uit.

Une écurie, 1883

Une écurie, 1883

Een schilderij uit 1883 was: “een stal”, een klein intiem werk dat de groeiende interesse van de kunstenaar in het boeren en in het bijzonder in de dagelijkse verzorging van de dieren documenteert. Geïnspireerd door de stallen van Nicolas Walter’s bedrijf in Corre. Dagan-Bouveret bestudeerde het leven in de Haute-Saône op dezelfde wijze als een naturalistische schrijver zou doen. Hij documenteerde zijn impressies door het maken van tekeningen die later weer dienden als motieven in zijn schilderijen. Zelfs voor een klein doek als “een stal” maakte hij schetsen van details: de hangende lantaarn of de arbeider rechts met een sigaret. Deze nauwlettend geobserveerde details verhogen de illusie van realiteit.
Dat hij bij dit schilderij een foto gebruikte is erg waarschijnlijk, want om in het bijzonder één van de paarden te schilderen zou zonder foto (die de beweging stopt) vrijwel onmogelijk zijn.

studiefoto voor "Chevaux à l'abreuvoir"

studiefoto voor "Chevaux à l'abreuvoir"

Voor “paarden bij de drinkbak” zijn de werk-foto’s bewaard gebleven. De foto’s waren genomen op het erf van zijn schoonvader. De paarden die poseerden waren geen werkpaarden zoals in het schilderij maar de paarden van het rijtuig. De goedgeklede schoonvader Nicolas Walter werd in het schilderij vervangen door een knecht in hoge leren laarzen en met een kleine pijp in zijn hand. Deze hoogst effectieve illusie van het leven in de Haute Saône laat zien dat de kunstenaar een vaardige foto-realist was geworden die een beeld kon construeren van verschillende bronnen dat er toch waarheidsgetrouw uitzag.

Chevaux à l'abreuvoir, 1884

Chevaux à l'abreuvoir, 1884

Poseren in Ormoy

Poseren in Ormoy

Rond 1886 werd het streng religieuse Bretagne geliefd bij de Franse schilders. Ook Dagnan-Bouveret ging geregeld enkele weken naar Bretagne. Hij nam dan de taditionele klederdracht van aldaar mee terug naar Ormoy. Thuis hulde hij de plaatselijke bevolking van Ormoy in die klederdracht en maakte foto’s. Op het schilderij verving hij de velden van Ormoy met de omgeving van Bretagne.

Bretonnes au Pardon, 1887

Bretonnes au Pardon, 1887

Dans la forêt, 1892

Dans la forêt, 1892

Dagnan-Bouveret stierf in 1929 in Quincey bij Vesoul.

Literatuur:
Weisberg, Gabriel P., Against the modern : Dagnan-Bouveret and the transformation of the academic tradition. p.61 – 78

“Fête des Arts”, Droiteval

"Fête des Arts", Droiteval
wegwijzer bordjes bij "la Hutte"Een beetje laat aangekondigd. Maar ja, beter laat dan nooit.
Zondag 13 juni 2010 is er weer een “Fête des Arts” in Droiteval bij Claudon. Je bent welkom van 10.00 tot 18.00 uur. De entree is gratis. Je kunt genieten van theater, muziek en verschillende andere kunstvormen.

Centre d’Art & Culture, Droiteval
2 Chemins des Pins, 88410 Claudon

Meer info:
>> www.centreartculturedroiteval.com

Expositie “Vôge sauvage”,Tignécourt

"Vôge sauvage"De internationaal vermaarde en gepassioneerde wildlife fotogaaf Fabrice Cahez uit Gignéville is van beroep leraar maar maakt in zijn vrije tijd exellente foto’s, kijk maar eens op zijn website:  fabricecahez.com
Van 1 Juli t/m 15 augustus 2010 exposeert hij met “Vôge sauvage” in “Maison de la Nature” in Tignécourt (place de l’église). Iedere dinsdag en zaterdag van 14.00 – 18.00 uur.

“La Fleur du Destin”, Monthureux

"La Fleur du Destin", 4-8 augustus 2010, Monthureux-sur-SaôneDit jaar organiseert “Compagnie L’Odyssée” weer een groot openlucht-spektakel. Deze keer zal de tuin van de pastorie in Monthureux-sur-Saône het toneel zijn van dit spektakel met grootse licht en geluidseffecten.
Meer dan 150 acteurs en figuranten zullen dicht bij het publiek optreden.

Je zult worden teruggezet in de 19e eeuw, waarin het dorpsleven draait om het werk in de spinnerij, waar zelfs kinderen werken.

Eén van die kinderen is een jongen, opgegroeid in een armoedige maar wel menselijke omgeving…

Zal hij ondanks de complexiteit van deze eeuw, gevuld met oorlog en ziekte “de bloem van het lot” plukken?

Dit afwisselend grappig en ontroerend avontuur, vol van vrijgevigheid, zal je een hartverwarmende en vermakelijke avond bezorgen.

Van 4 tot en met 8 augustus 2010. Aanvang 21.30 uur. Reserveren is aanbevolen.

Meer info:
>> La Fleur du Destin, Compagnie L’Odyssée