Druïdenvallei, le Void d’Escles

De vallei van Saint Martin tussen Escles en Vioménil wordt ook wel de Druïdenvallei genoemd. Hier ontspringt de Madon (5) die uiteindelijk uitmondt in de Maas (Madon = druïde naam voor herfst equinox).

Kapel Saint Martin

Kapel van Saint Martin (Heilige Martinus) (2)
Deze kapel is een moderne (1958) reconstructie van een primitieve kapel uit de zeventiende eeuw. Het verhaal gaat dat de dochter van Graaf Gondouin, Salaberge, in de zevende eeuw hier een kapel heeft gebouwd. Maar hier moet een kerk hebben gestaan sinds de zesde eeuw, gebouwd door de aanhangers van St. Colomban tijdens de evangelisatie van de Vogezen. De bescherming door St. Martin wijst ook op het vroege christendom.

De vallei werd gekerstend omdat het voornamelijk werd gebruikt als heidense offerplaats. De Leuken (Leuques), een keltisch volk dat dit gebied bewoonde, gebruikte de vallei voor hun eredienst.

Grot van Saint Martin

Grot van Saint Martin (2)
Naast de kapel is een overhangende rots. De natuurlijke veranda is tien meter diep en is door mensenhanden uitgebreid met een galerij van 33 meter lang.

De galerij heeft vele voorzieningen, o.a.lampen-nissen en 4 putten over de hele lengte van de galerij. De putten varieren in diepte van 3 tot 5 meter en zijn even breed als de galerij.

Het gebruik van deze waterputten blijft een raadsel. Ze zouden gebruikt kunnen zijn voor de opslag van ijs, om die te gebruiken in de zomer. Maar de afwezigheid van een afvoer van het smeltwater maakt dat niet aannemelijk. Er was ook de hypothese dat het mijnputten zijn voor de winning van ijzeroxide (pigment) en mangaan voor de glasblazers in de veertiende eeuw. Uit opgravingen bleek echter dat er maar minieme sporen van mangaan en ijzer aanwezig waren, te weinig om deze hypothese te bevestigen. Het gebruik als een veilig onderkomen is een andere mogelijkheid. De grot is groot genoeg om tientalle mensen te herbergen. Drie van de putten bereiken de grondwaterspiegel en bieden een onuitputtelijke toevoer van water. Eén van de putten blijft altijd droog en zou als opslagplaats kunnen dienen. Maar de putten bezetten de hele breedte van de galerij waardoor ze moeilijk te bereiken zijn. Bovendien zou één put voor de watervoorziening al voldoende zijn. In het geval van een aanval worden de putten bovendien een val.

Aannemelijker is het dat de grot een plaats van aanbidding was.
De Leuciërs (Kelten-stam) vereerde in aanvulling van de verering van bronnen, ook de god Sucellus die vergezeld gaat door een os. Aan de linkerzijde van de portiek zijn in de rots uitgehouwen troggen of voederbakken. Stroomafwaarts van de grot is ook een bron met een stierekop uitgehouwen waaruit het water stroomt (la fontaine du boeuf)(1).

Deze cultus is later na de Romeinse verovering vervangen door de verering van Mithras die gekoppeld is aan de stier en werd beoefend in grotten en kelders.

Heidense vereringen waren krachtig in deze vallei. Dat is onder meer af te lezen aan de enorme inspanningen die de Christelijke autoriteiten geleverd hebben om het gebied te kerstenen. De bouw van de kapel voor de grot, de bezetting door vroeg-christelijke kluizenaars. De bronnen werden naar christelijke heiligen genoemd. De bron van Sainte Claire (3) met de bestemming om oogziekten te genezen en de bron van Sainte Barbe om huidziekten te genezen. De kanunniken van Remiremont, eigenaar van de vallei in de Middeleeuwen, organiseeerden op pinkstermaandag een grote processie in de vallei. Het wapenschild van de abdij van Remiremont is afgebeeld op de stierenbron (1)(la fontaine du boeuf). De bron van Sainte Claire is nog steeds de bestemming van een pelgrimstocht in augustus.

Cuveau des Feés

Feeënbad (4)
Bovenin deze vallei vinden we een achthoekig bekken met een diameter van 3,7 meter, uitgehouwen uit een blok zandsteen. Dit bekken wordt ook wel het Feeënbad genoemd (Cuveau des Fées).

In 2000, bleek uit uitgravingen dat het bekken ter plekke was uitgehouwen en daarna achtergelaten. Een gedeelte van zacht zandsteen had een breuk veroorzaakt op de bodem, waardoor het ongeschikt was om als bekken te gebruiken. In de nabije omgeving is geen huisraad gevonden, het is onmogelijk gebleken dit bekken te dateren. Hoewel, de zuiverheid van de groeven en de techniek die er gebruikt is, doet vermoeden dat het stamt uit de zestiende of zeventiende eeuw, maar niets is bewezen. We kunnen speculeren over waarvoor het gebruikt zou worden. Mogelijk voor een bron (deze zijn er meerdere in de vallei), als fontijn op het dorpsplein of als doopbekken (de achthoek is het symbool van de vroeg-christelijke doopkapel). De dertigjarige oorlog, die de hele regio verwoeste heeft ook hier alle sporen gewist.

De populaire legende verteld dat feeën dit bekken hebben gemaakt. S’nachts gebruikten de feeën het om hun witte sluiers te wassen. Ook werden hier babies geboren. Alle kinderen uit de omgeving waren hier geboren. Voordat ze naar hun moeders werden gebracht gingen ze in bad in het bekken. Het pad naar het bekken wordt ook wel ‘het pad van de witte vrouw (Sentier de la Dame Blanche’ genoemd.

Een andere populaire vertelling is dat het een Gallische offersteen was. Druïden zouden daar geofferd hebben.

Kaartje DruïdendalRoutebeschrijving Druïdendal
Komende uit de richting van Epinal. Volg de D 460 naar Darney.
Voorbij het dorp ‘le Void-d’Escles’ ga je in de scherpe bocht links de bosweg in, ga steeds rechtdoor totdat je bij de parkeerplaats aankomt. Op de parkeerplaats zijn informatieborden en ook routekaartjes.

De stierenbron is te bereiken vanaf de parkeerplaats. Steek het beekje (Madon) over en ga omhoog via het wandelpad. Na 2 minuten ben je er.

Voor de overige bezienswaardigheden, ga vanaf de parkeerplaats het bredere pad rechtdoor en volg de rood-witte markering.